Rouw heeft geen eindpunt. En dat is hoopvoller dan het klinkt.

Lisanne Van Sadelhoff, in de Correspondent

Het klinkt misschien een beetje kinderachtig, maar ik heb het eerste halfjaar na mijn moeders dood geregeld staan stampvoeten. Daar had ik verschillende redenen voor. Namelijk:

  • ik wilde het verdriet niet meer voelen;
  • ik wilde de tijd vooruitspoelen;
  • ik wilde klaar zijn met rouwen.

Ik was er heilig van overtuigd dat mijn verdriet een keer verwerkt zou zijn. Opgelost. En dan zou het klaar zijn met het gehuil, gemis en gestampvoet. Dan zou ik verder kunnen gaan met mijn leven. Ik werd in dit idee gesterkt toen ik tijdens een wanhoopszoektocht op Google (‘houdt rouw ooit op?’) het rouwfasenmodel ontdekte van Elisabeth Kübler-Ross. Dat model laat ons zien: rouw vindt plaats in opeenvolgende fasen die je allemaal moet doorlopen om uiteindelijk tot aanvaarding te komen:

  • ontkenning;
  • protest (waarom ik? waarom nu?);
  • de vechtmodus (vechten tegen het verdriet, de waarheid);
  • depressie;
  • aanvaarding.

De Zwitsers-Amerikaanse psychiater bedacht  het model in de jaren zestig en baseerde zich op gesprekken met mensen die stervende waren. Het was aanvankelijk bedoeld om het proces van iemand die sterft in te kaderen, maar gaandeweg werd de theorie door rouwbegeleiders gebruikt om het rouwproces van achterblijvers te duiden.  Eerst door Kübler-Ross zelf, daarna volgden rouwbegeleiders van over de wereld.

Ik moet eerlijk zeggen: ik zuchtte moedeloos toen ik zag dat ik eerst in een depressie terecht zou komen alvorens die aanvaarding er zou zijn, maar het idee dát er aanvaarding zou komen, vond ik dan weer heel geruststellend. Er was licht aan het einde van deze donkere klotetunnel.


Een rouwmodel zonder einde?

Nu weet ik: al had ik de tijd vooruit kunnen spoelen, al was ik in een depressie terechtgekomen, dan nog zou ik nooit helemaal ‘klaar’ zijn met rouwen. Mijn rouwtherapeut liet me dat inzien. Ze schoof een andere rouwtheorie onder mijn neus, onder wetenschappers bekend als de opvolger van die van Kübler-Ross, en volgens mijn therapeut een stuk realistischer.

Het duale procesmodel, dat is ontwikkeld in de jaren negentig door de Nederlandse psycholoog en onderzoeker Henk Schut en hoogleraar psychologie Margaret Stroebe, gaat er grofweg van uit dat rouw twee domeinen kent: verliesgerichte rouw en herstelgerichte rouw, die elkaar continu afwisselen, in een tempo dat per individu verschilt.

Als je verliesgericht rouwt, dan ga je de confrontatie aan met je verlies, je herdefinieert de relaties met mensen die er nog wél zijn. Als je herstelgericht rouwt, dan probeer je juist weer deel te nemen aan het dagelijkse leven, doe je nieuwe dingen, ga je nieuwe relaties aan, zoek je afleiding. Je geeft je bestaan weer inhoud en betekenis, in de afwezigheid van de persoon die is overleden.

Er is in het model geen begin, geen midden. En: geen einde. Je switcht simpelweg tussen de ene oriëntatie en de andere. De verliesoriëntatie is, naarmate de tijd verstrijkt, minder nadrukkelijk aanwezig, maar gaat doorgaans niet helemaal weg.

Wat vertelt de rouwwetenschap ons (nog meer)?

Ik kan me zo voorstellen dat het idee dat rouw oneindig is en zich niet in opeenvolgende fasen ontvouwt, veel verschil maakt voor mensen in de rouw. Omdat ik allereerst benieuwd ben waar deze redelijk rigoureuze wetenschappelijke ommezwaai vandaan komt, bel ik met Schut zelf.

‘Het was geen vooropgezet plan om het fasenmodel onderuit te halen’, zegt hij aan de telefoon. ‘Het was meer dat ik dertig jaar geleden worstelde met onderzoeksresultaten. Ik had tientallen gesprekken gehad met weduwen en weduwnaars in het eerste halfjaar na hun verlies. Ze sloegen soms fasen over, hopten van fase 1 naar fase 3 en weer terug, begonnen met de depressie of gingen al snel richting aanvaarding. Dat kwam ook overeen met mijn praktijkervaring. Ik heb veel mensen ook echt in paniek zien raken van die fasen. “Ik heb de dood van mijn kind niet ontkend, doe ik het dan wel goed!?”’

Zo zal Schut nooit vergeten hoe hij een keer werd gebeld door een oudere weduwnaar. Of hij bij Schut in therapie kon komen. Zijn vrouw had een kort ziekbed gehad, het afscheid was mooi, hij had goed contact met de kinderen en hij kon mét zijn verdriet redelijk goed meekomen in het leven.

Dus Schut vroeg: ‘Waar kom je dan niet uit?’

De weduwnaar antwoordde: ‘Ik ben niet boos geweest. Ik heb die fase overgeslagen.’

Schut legde uit dat iedereen het anders doet. ‘Ik kon de opluchting aan de andere kant van de lijn bijna voelen.’ Het was de kortste, meest efficiënte therapiesessie die Schut ooit heeft gegeven. ‘Ik vind het heel verdrietig dat mensen in zo’n precair proces denken dat ze het niet goed doen. Daarom denk ik dat het heel belangrijk is dat mensen inzien: ze zijn niet gek. Je bent nooit klaargerouwd.’

Het verklaarde waarom ik ook na één, twee of drie jaar rouw nog steeds lamgeslagen kon zijn door verdriet. En waarom ik soms woede voelde, dan weer aanvaarding, en dan weer kon ontvlammen als een vat kerosine.

Liever beschrijven hoe rouw kan verlopen dan voorschrijven hoe het zou moeten gaan

Omdat dat inzicht me toen zo hielp, wil ik weten: is het idee van Schut en Stroebe nog leidend, nu, dertig jaar later? Ik bel daarom met rouwtherapeut Johan Maes, die deze vraag ook probeerde te beantwoorden in zijn boek Het DNA van rouw.

Het is in de rouwwetenschap, en daardoor ook mondjesmaat steeds meer in onze samenleving, een algemeen geaccepteerde opvatting dat rouw geen eindpunt heeft. Het is logisch dat we dat wel willen, want hartzeer is zo naar, mensen snakken soms naar een uitweg, maar die is er niet. Daar is het te complex voor: het raakt ons in alle dimensies. Lijfelijk, mentaal, existentieel, emotioneel, relationeel.’

Daarom is Maes blij  met bijvoorbeeld het model van Schut en Stroebe. ‘Steeds meer rouwbegeleiders en psychologen zijn door deze theorie gaan inzien dat je met rouw niet per se naar aanvaarding toewerkt, zoals het eerste model stelt. En ook dat een cliënt niet per se alle fasen moet doorlopen. Voel je geen woede? Dan is dat prima. Dan is dat jóúw manier.’

Het is volgens hem beter om alle mogelijke rouwreacties te beschrijven dan voor te schrijven hoe je zou kunnen of moeten reageren.

Rouw als taak

Niet alleen in het model van Schut en Stroebe zitten die zekere ‘eeuwigheid’ en ‘grilligheid’ verscholen. Eeuwigheid en grilligheid zijn ook terug te vinden in andere rouwmodellen die na het fasenmodel ontstonden. Maes noemt het rouwtakenmodel, ook bedacht in de jaren tachtig, door de Amerikaanse psychiater William Worden. Die stelt dat rouwenden een aantal taken moeten uitvoeren. Het kwam als alternatief voor het fasenmodel en was gericht op een eindpunt (de vierde taak):

  • het aanvaarden van de realiteit van het verlies;
  • het doorleven van de pijn en het verdriet;
  • het aanpassen aan een nieuw leven zonder de overledene;
  • de overledene emotioneel een plaats geven en het oppakken van de draad van het leven.

Maes: ‘Het wordt gepresenteerd als een rechtlijnig proces, zo van: je moet eerst de ene taak vervullen voordat je aan de andere kunt beginnen. Er zit niets grilligs of eeuwigs in.’ Maar in de loop der jaren werd dit model steeds meer gebruikt in willekeurige volgorde: je kunt van taak 1 naar taak 3 gaan, en weer terug naar taak 2.

Het nieuwste model stamt uit 2006: het ‘integratiemodel’ In deze publicatie legt Maes het integratiemodel verder uit.is afkomstig van de Amerikaanse rouwdeskundige Robert Neimeyer. Dat gaat ervan uit dat – de naam zegt het al – verdriet steeds meer integreert in ons leven, in ons dagelijkse doen en laten. Deze theorie legt de nadruk op dat verlies ons voorgoed verandert en met ons mee gaat. Waar we ook gaan.

Rouwen is volgens Neimeyer een proces van betekenis geven aan het leven zónder de overledene, en het zoeken naar een nieuwe identiteit waarbij het verdriet er gewoon bij gaat horen.

Oké. Maar wat hebben we aan die wetenschap?

Tot zover de wetenschap. Wat kun je met al die theorie als je zelf in een rouwproces zit? Voor die vraag klop ik aan bij Riet Fiddelaers-Jaspers, een van Nederlands bekendste rouwdeskundigen. Ze schreef tientallen boeken over rouw, heeft een eigen praktijk aan huis en richtte het Expertisecentrum voor Omgaan met Verlies  op.

Fiddelaers-Jaspers heeft me uitgenodigd om bij haar te komen lunchen in haar huis in het Noord-Brabantse Heeze. Er staat een bord met brood en meergranencrackers op de keukentafel, een schaal met frambozen en aardbeien, er ligt een blok jonge kaas, een stuk brie, en er liggen een paar vellen papier met daarop de hierboven besproken rouwmodellen uitgetekend.

Een van de grilligste processen uit een mensenleven inzichtelijk samengevat op één A3-vel. Dat het zo overzichtelijk kan worden gemaakt, heeft iets geruststellends, vind ik. ‘Ik laat ze soms zien aan cliënten’, zegt Fiddelaers-Jaspers terwijl ze met haar vingertoppen op een van de vellen tikt. ‘Mensen hebben behoefte aan inzicht. Rouw is een wirwar van gevoelens, of het uitblijven daarvan.’

De een vlucht voor het verdriet, de ander vecht ertegen, de ander verdrinkt erin. ‘Wat het ook is: het is vaak allemaal nieuw. Laatst had ik iemand in mijn praktijk, ze was in paniek, haar vader was net overleden. Ze zei: “Ik heb dit nog nooit meegemaakt, wat moet ik doen?” Wie rouwt, bevindt zich op onontgonnen terrein, kan daar onzeker van worden en heeft vaak houvast nodig.’

Een goed, wetenschappelijk onderbouwd rouwmodel normaliseert de gekte, het kan rouwenden het besef geven: ik ben niet gek. Horen dat je niet de pan uit flipt, dát is waar rouwenden behoefte aan hebben. Fiddelaers-Jaspers verwijst naar een cliënt die ‘woester dan woest’ was toen haar moeder overleed. Ze had gezegd: ‘Als er weer een Jehovagetuige op een verkeerd moment aanbelt, op een slechte dag, dan word ik zo boos, want: hállo mijn moeder is dood. Dan wil ik die persoon aan de haren over de stoep slepen. Dat is toch niet normaal?’ En toen kon de rouwtherapeut haar uitleggen en laten zien: je bent heel normaal.

Eilandhoppen tussen de twee eilanden van rouw

‘Het is niet zo dat ik cliënten steevast een wetenschappelijk model voorschotel. Maar ik houd het wel in mijn achterhoofd’, zegt Fiddelaers-Jaspers. ‘Ik leg bijvoorbeeld ouders die hun kind zijn verloren, en allebei anders met rouw omgaan, uit dat er twee eilanden zijn. Eentje van het doorgaan met leven. De herstelgerichte kant. En eentje met het doorléven van het verdriet. De verliesgerichte kant.  Ik teken dan die eilanden. Heel kinderachtig misschien, maar dan zie je ze kijken, en denken en soms ook wijzen: ja, ik zit hier, op dit, en mijn partner op dat andere.’

‘Als mensen zien dat ze te veel op het ene eilandje zitten, of te veel met bijvoorbeeld maar één rouwtaak bezig zijn, dan weten ze: ik moet naar dat andere eiland. Of: ik sla een beetje door.’

Rouwen is dus ook: inzicht krijgen in je eigen proces. En daarna: het zoeken naar balans. Niet midden in je verdriet blijven zitten. Of alleen maar bezig zijn met (over)leven.

Een belangrijke vraag voor de rouwende is dus vaak: hoe kom je in het rouwproces weer een beetje in balans?

‘Als mensen inzien waar ze staan en waar ze naartoe willen, kunnen ze daarna de vraag beantwoorden: wat heb ik nodig voor die balans?’

Herstel en verlies gaan dus samen. Het evenwicht daartussen komt voor iedereen op een ander moment en op een andere manier. Elk rouwproces is uniek in zijn grillige verloop, maar er zit ook iets collectiefs in. Namelijk dat elk mens het verdriet altijd met zich meeneemt, in welke vorm dan ook.


Maar als er geen eindpunt is, waar doen we het dan voor?

Misschien ben ik nu zwartgallig en kort door de bocht, maar we weten nu dat rouw geen lineair proces is. Dat het onvoorspelbaar is. Voor iedereen anders. En er kan dan wel een evenwicht komen, maar dat betekent nog steeds dat rouw nooit klaar is. Als er geen eindpunt is, waar doen we dan al die moeite voor om de boel op de rit te krijgen, om het verdriet een beetje te verwerken of te reguleren?


Is er in al die theorieën ook iets overkoepelends, iets troostends te vinden? Rouwtherapeut Johan Maes lacht zacht als ik hem dat voorleg. ‘Mooie vraag. Wat ik vaak uitleg aan mensen is dat we rouwen omdat we ons hechten. De basis is hechting. En wie rouwt, gaat langzaam inzien dat de persoon is gestorven, maar ook dat de relatie nooit sterft. Dat is eigenlijk iets heel moois.’

Een paar dagen na mijn interview krijg ik nog een mailtje van Fiddelaers-Jaspers. Ik heb haar bedankt voor de lunch, haar tijd en expertise. Ze mailt dat ze nog wat kwijt wil: dat het er bij rouw in de kern niet om gaat om verlies te verwerken of kwijt te raken. ‘Het gaat er denk ik, bij elk model en bij elk mens, om dat je verlies kunt verweven in je nieuwe leven. Ik denk dat mensen gaan inzien dat, door die oneindigheid van rouw, iets anders ook oneindig is. Namelijk: liefde.’

Of je kunt het anders zien: als je rouwt, is liefde het eindpunt.